Maatregelen bij ontslag tot 1 juli 2008

 


A. Bovenwettelijke re-integratiemaatregelen tot 1 juli 2008

 

A 1. Tegemoetkoming in de verhuiskosten

De werkloze medewerker die ander werk vindt of een bedrijf start en die daardoor moet verhuizen, kan recht hebben op een tegemoetkoming in de verhuiskosten.

Voorwaarden

De medewerker komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten wanneer:

  • hij zonder dat werk of bedrijf recht heeft op een bovenwettelijke uitkering of dat recht zou krijgen;
  • de werkloosheid met ten minste 50% (met een minimum van vijf uur) vermindert;
  • de verhuizing plaatsvindt binnen zes maanden na aanvaarding van de nieuwe baan;
  • de verhuizing plaatsvindt uiterlijk drie maanden voordat de periode van de bovenwettelijke uitkering eindigt;
  • het werk voor ten minste één jaar wordt aangegaan;
  • de verhuizing plaatsvindt naar een plek binnen een straal van 25 kilometer van de nieuwe werkplek;
  • de afstand tussen de nieuwe werkplek en de oude woning ten minste 50 kilometer is;
  • de medewerker schriftelijk meldt of hem uit andere hoofde een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt verleend en toestemming geeft dit te verifiëren.

Vermindering van de tegemoetkoming

Als de medewerker van de nieuwe werkgever of een andere partij een tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt dit op de tegemoetkoming van de oud-werkgever in mindering gebracht.

A 2. Re-integratietoeslag

De werkloze medewerker die recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en ander werk vindt, waarvan het salaris minder is dan 90% van zijn oude bezoldiging kan recht hebben op een re-integratietoeslag. Deze toeslag vult de inkomsten uit de nieuwe arbeid aan tot 90% van de oude bezoldiging. Voor mensen die een nieuwe deeltijdbaan aanvaarden geldt dit naar rato van het dienstverband.

Voorwaarden

Om voor een re-integratietoeslag in aanmerking te komen, gelden de volgende voorwaarden:

  • er bestaat recht op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering;
  • er wordt een nieuwe baan aanvaard;
  • de nieuwe baan duurt minimaal één jaar;
  • door de nieuwe baan vermindert de werkloosheid;
  • het loon van de nieuwe baan is lager dan 90% van de bezoldiging, waarop de aanvullende en/of aansluitende uitkering wordt gebaseerd. Deze 90% wordt naar rato van de dienstbetrekking berekend.

De medewerker moet de re-integratietoeslag zelf aanvragen. De re-integratietoeslag moet binnen 10 weken na aanvaarding van de nieuwe baan aangevraagd worden. Maandelijks wordt aan de hand van een opgave van inkomsten door de oud medewerker beoordeeld of nog recht bestaat op de re-integratietoeslag.

Niet verlenen re-integratietoeslag

De re-integratietoeslag wordt niet verleend als:

  • recht bestaat op een re-integratiepremie;
  • als er naar de regels van de WW geen sprake is van vermindering van werkloosheid.

Met deze tweede reden wordt gedoeld op het aanvaarden van een baan voor minder dan 5 uur. De inkomsten van deze nieuwe baan worden dan met de aanvullende en aansluitende uitkering verrekend in plaats van dat er sprake is van vermindering van werkloosheid.

Verval opgebouwde rechten

De toeslag komt in de plaats van de aanvullende en aansluitende uitkering. Wanneer een re-integratietoeslag is toegekend, vervallen de opgebouwde rechten op een aanvullende en aansluitende uitkering. Na toekenning van een re-integratietoeslag kunnen de bovenwettelijke rechten dus niet herleven.

Hoogte re-integratietoeslag

De duur van de re-integratietoeslag is negen maanden voor ieder vol jaar (naar beneden afgerond) dat de oud-medewerker na aanvaarding van de betrekking nog recht zou hebben gehad op een aanvullende en/of aansluitende uitkering wanneer hij de nieuwe betrekking niet had aanvaard.

Voorbeeld
Ronald is per 1 januari 2002 ontslagen uit een dienstverband van 36 uur bij de gemeente. De bezoldiging van Ronald was €  4.000,-. Zonder werk heeft Ronald recht op een bovenwettelijke uitkering van 1 januari 2002 tot 1 augustus 2011. Per 1 december 2002 krijgt Ronald een nieuwe baan voor 30 uur met een salaris van €  2.800,-. Dit is omgerekend naar een voltijds dienstverband minder dan 90% van zijn oude bezoldiging (36/30 € 2.800,-= € 3.360,-, terwijl 90% x € 4.000,-= €  3.600,-.

De hoogte van de toeslag bedraagt het verschil tussen het nieuwe loon ( € 2.800,-) en 90% van de oude bezoldiging, berekend naar rato van de nieuwe dienstbetrekking (dit is € 4.000,- x 90% x 30/36 = € 3.000,-). De toeslag bedraagt €  200,-.

De duur van de re-integratietoeslag is 9 maanden x 8 jaar (te weten het aantal volle jaren (naar beneden afgerond) vanaf 1 december 2002 tot 1 augustus 2011). Gedurende 72 maanden wordt dus de re-integratietoeslag betaald, dit is over de periode 1 december 2002 tot 1 december 2008.

Volledige beëindiging re-integratietoeslag

Naast het verstrijken van de duur van de toeslag, eindigt de re-integratietoeslag volledig als:

  • de betrokken medewerker uit de nieuwe betrekking geheel werkloos wordt;
  • de inkomsten uit de nieuwe betrekking minimaal drie maanden lang hoger zijn dan het niveau van de toeslag.

Als de volledige toeslag eenmaal is geëindigd, herleeft deze niet meer.

Gedeeltelijke beëindiging re-integratietoeslag

Wanneer de medewerker uit de nieuwe betrekking gedeeltelijk werkloos wordt, eindigt de toeslag naar evenredigheid. De toeslag wordt nog berekend over het aantal uren, waarvoor de nieuwe baan nog blijft bestaan.

Voorbeeld
Ronald is per 1 januari 2002 ontslagen uit een dienstverband van 36 uur bij de gemeente. De bezoldiging van Ronald was € 2.000,-. Zonder werk heeft Ronald recht op een bovenwettelijke uitkering van 1 januari 2002 tot 1 augustus 2011. Per 1 december 2002 krijgt Ronald een nieuwe baan voor 30 uur met een salaris van €  2.800,-. Dit is omgerekend naar een voltijds dienstverband minder dan 90% van zijn oude bezoldiging (36/30 € 4.000,-= € 3.360,-, terwijl 90% x € 4.000,-=  € 3.600,-).

De hoogte van de toeslag bedraagt het verschil tussen het nieuwe loon en 90% van de oude bezoldiging, berekend naar rato van de nieuwe dienstbetrekking (dit is  € 4.000,- x 90% x 30/36 = €  3.000,-). De toeslag bedraagt  € 200,-. Per 1 december 2003 wordt Ronald uit zijn nieuwe baan ontslagen voor 10 uur. Hij blijft dus nog 20 uur werken. Zijn nieuwe bezoldiging bedraagt  € 1.866,66. Zijn toeslag vermindert vanaf dat moment tot het verschil tussen het nieuwe loon en het 90% van het oude loon, berekend naar rato van de nieuwe dienstbetrekking (dit is € 4.000,- x 90% x 20/36 = €  2.000,-). De toeslag wordt verlaagd naar € 133,33.

A 3. Re-integratiepremie

De werkloze medewerker die recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en ander werk vindt, waarmee zijn volledige werkloosheid wordt opgeheven, kan recht hebben op een re-integratiepremie. Deze premie bestaat uit een éénmalige uitkering.

Re-integratiepremie

Om in aanmerking te komen voor de re-integratiepremie gelden de volgende voorwaarden:

  • de werkloze medewerker heeft een aanvullende of aansluitende uitkering;
  • de werkloze medewerker vindt een baan waarmee de volledige werkloosheid wordt opgeheven. Dit betekent dat de arbeidsduur van de nieuwe baan gelijk is aan de oude arbeidsduur of dat betrokkene na aanvaarding van de betrekking voor minder dan vijf uur (of minder dan de helft van het oude aantal uren) beschikbaar is voor arbeid;
  • de nieuwe baan wordt voor onbepaalde tijd aangegaan (er is dus geen sprake van een tijdelijk contract of tijdelijke aanstelling).

Van belang is dat de oud- medewerker al is het maar één dag een aanvullende uitkering heeft gehad. De oud- medewerker die aansluitend aan zijn oude betrekking een nieuwe betrekking aanvaardt, heeft dus geen recht op een re-integratiepremie.

De medewerker moet de re-integratiepremie zelf aanvragen. De re-integratiepremie moet worden aangevraagd binnen 10 weken na beëindiging van de aanvullende of aansluitende uitkering.

Verval opgebouwde rechten

De premie komt in de plaats van de aanvullende en aansluitende uitkering. Wanneer een re-integratiepremie is toegekend, vervallen de opgebouwde rechten op een aanvullende en aansluitende uitkering. Na toekenning van een re-integratiepremie kunnen de bovenwettelijke rechten dus niet herleven.

Hoogte van de re-integratiepremie

De re-integratiepremie bedraagt 5% van het totaal aan aanvullende en aansluitende uitkering waarop de oud- medewerker recht zou hebben gehad als geen nieuwe betrekking was aanvaard en de medewerker tot het eind toe recht had gehad op de aanvullende en aansluitende uitkering. De re-integratiepremie kan maximaal 130 maal het ongemaximeerde dagloon van betrokkene bedragen (dit is ongeveer een half jaarsalaris).

Voorbeeld
Marieke is op 1 januari 2002 volledig ontslagen uit een baan waarmee zij € 2.000,- verdiende. Haar dagloon is € 100,- (uitgaande van 20 werkdagen in een maand).

Zij heeft in verband met dat ontslag gedurende een jaar recht op een WW-uitkering ter hoogte van 70% van haar oude loon, te weten € 1.400,-. Hierna heeft zij gedurende twee jaar recht op een vervolguitkering op grond van de WW ter hoogte van 70% van het minimumloon, te weten € 1.231,80. De totale WW-uitkering duurt dus tot 1 januari 2005.

Zij heeft recht op een aanvullende en aansluitende uitkering tot 1 januari 2006. De eerste 15 maanden vult deze uitkering de WW-uitkering aan tot 80% van haar oude loon (€ 1.600,-), daarna vult de bovenwettelijke uitkering aan tot 70% van het oude inkomen (€ 1.400,-).

Per 1 januari 2003 krijgt Marieke een nieuwe volledige baan.

Per 1 januari 2003 zou Marieke nog recht hebben gehad op 3 maanden aanvulling tot 80% en gedurende de periode van 1 april 2003 tot 1 januari 2005 (21 maanden) een aanvulling tot 70% van het oude loon en gedurende de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2006 (12 maanden) een aansluitende uitkering ter hoogte van 70% van het oude loon. Gekapitaliseerd komt dit neer op:
- 3 x € 368,20 (€ 1.600,- -/- € 1.231,80) +
- 21 x € 168,20 (€ 1.400,- -/- € 1.231,80) +
- 12 x € 1.400,-.
In totaal komt dit neer op een bedrag van € 1.104,60 + € 3.532,20 + € 16.800,- = € 53.226,60.
Bij aanvaarding van de baan heeft Marieke recht op een re-integratiepremie van 5% hiervan, te weten € 2.661,33 (dit is dus niet meer dan 130 maal haar dagloon, immers 130 x € 100,- = € 13.000,-).


B. Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering tot 1 juli 2008

 

B 1. Aansluitende uitkering

Voorwaarden

De medewerker die voor een aansluitende uitkering in aanmerking wil komen, moet recht hebben op een loongerelateerde WW-uitkering en moet ontslagen zijn:

  • wegens reorganisatie;
  • wegens arbeidsongeschiktheid;
  • wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid;
  • wegens een andere grond die door de werkgever is bepaald.

Wanneer de medewerker recht heeft op suppletie, komt het recht op de aansluitende uitkering niet tot uitbetaling.

De duur van de aansluitende uitkering

De duur van de aansluitende uitkering is afhankelijk van de diensttijd en de leeftijd van de oud- medewerker.

  • Als de medewerker op de dag van ontslag jonger is dan 21 jaar, is de duur van de uitkering gelijk aan:
    • 3 maanden; én 18% van de diensttijd.
  • Als de medewerker op de dag van ontslag ouder is dan 21 jaar, is de duur van de uitkering gelijk aan:
    • 3 maanden; én 19,5% van de diensttijd; én 1,5 % van de diensttijd per leeftijdsjaar ná het 21e levensjaar.

Hiervan wordt de duur van de aanvullende uitkering afgetrokken.

Voor mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt op of na 1 augustus 2004 moet hierop de duur van de aanvullende uitkering en 2 jaar in mindering gebracht worden.

Voor mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt voor 1 augustus 2004 geldt een overgangsregeling.

De medewerker die op de dag van ontslag 55 jaar of ouder is, krijgt een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Dit recht geldt zowel voor mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt voor 1 augustus 2004 als voor de mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt op of na 1 augustus 2004.

Voorbeeld
Joost is 35 jaar, werkt onafgebroken sinds zijn 18e bij de overheid. Zijn totale diensttijd is dus 17 jaar. Joost wordt per 1 september 2004 wegens reorganisatie ontslagen; dit is een ontslaggrond die zowel recht geeft op een aanvullende uitkering als recht op een aansluitende uitkering. Joost heeft gedurende 1,5 jaar recht op een aanvullende uitkering.
De duur van de aansluitende uitkering is:

  • 3 maanden (=0,25); én
  • 19,5% (t/m 21 jaar) van 17 jaar (=3,315); én
  • 21% (22 t/m 35 jaar) van 17 jaar (= 3,57).
    De duur van de aansluitende uitkering is 7,135 jaar. Hiervan wordt én de duur van de aanvullende uitkering (1,5 jaar) én 2 jaar afgetrokken. Na afloop van de aanvullende uitkering bestaat dus nog recht op een uitkering gedurende 3,635 jaar.

Hoogte van de uitkering

De aansluitende uitkering bedraagt 70% van het ongemaximeerde dagloon van betrokkene.

Verplichtingen en sancties

Tijdens de uitkering geldt het verplichtingen- en sanctieregime van de WW. Dit betekent dat de oud- medewerker ingeschreven moet zijn bij UWV WERKbedrijf. Ook moet hij voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, is of blijft. Onder meer de volgende redenen zullen als verwijtbaar worden beschouwd:

  • in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen;
  • nalaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgen;
  • door eigen toedoen geen passende arbeid behouden;
  • in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stellen die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

Beëindiging van het recht op uitkering

De aansluitende uitkering eindigt als:

  • de medewerker geen werknemer meer is in de zin van de WW (hij gaat bijvoorbeeld als zelfstandige werken);
  • de medewerker niet langer werkloos is in de zin van de WW (dat is als hij voor minder dan 5 uur werkloos is);
  • de uitkeringsduur is verstreken.

Herleving

Onder voorwaarden kan het recht op de aansluitende uitkering herleven. De belangrijkste reden van herleving is wanneer de oud- medewerker een tijdelijke baan heeft aanvaard, die weer eindigt. Voorwaarde voor herleving is dat er geen nieuw recht op een loongerelateerde uitkering ontstaat.

Verrekening van inkomsten

 De oud- medewerker die tijdens de periode van de aansluitende uitkering gaat werken en daaruit inkomsten geniet wordt voor minder uren werkloos. De aansluitende uitkering eindigt met dát deel dat behoort bij het aantal uren, waarvoor werk aanvaard is.

Aanvulling op ziekengeld of uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg

Wanneer een oud- medewerker tijdens de periode van de aansluitende uitkering door nawerking recht krijgt op een ZW-uitkering, of een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, wordt deze uitkering op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.

Uitkering bij overlijden

Wanneer de oud- medewerker die recht heeft op een aansluitende uitkering overlijdt, ontvangen de nabestaande een uitkering ter hoogte van 100% van het ongemaximeerde dagloon van betrokkene, berekend over een periode van 13 weken. Een overlijdensuitkering op grond van de Ziektewet of andere wet of regelgeving wordt hierop in mindering gebracht.

Grensarbeiders

Iemand die aansluitend aan zijn werkloosheid buiten Nederland woont en om die reden geen recht heeft op een Nederlandse WW-uitkering, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering, die in hoogte en duur gelijk is aan de uitkering die hij gehad zou hebben als hij wel in Nederland zou wonen. De buitenlandse werkloosheidsuitkering wordt op deze bovenwettelijke uitkering in mindering gebracht.

De medewerker die voor een aanvullende uitkering in aanmerking wil komen, moet recht hebben op een loongerelateerde WW-uitkering en moet ontslagen zijn:

  • wegens reorganisatie;
  • wegens arbeidsongeschiktheid;
  • wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid;
  • wegens verlies van een vereiste dat bij de aanstelling gesteld is;
  • wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
  • wegens een andere grond die door de werkgever is bepaald;
  • uit een tijdelijke aanstelling.

Wanneer de medewerker recht heeft op suppletie, komt het recht op de aanvullende uitkering niet tot uitbetaling.

De duur van de aanvulling

Voor mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt op of na 1 augustus 2004 wordt de aanvulling gegeven zolang er recht is op een loongerelateerde WW-uitkering. Voor mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt voor 1 augustus 2004 geldt een overgangsregeling.

Hoogte van de uitkering
De aanvullende uitkering is een aanvulling op de WW-uitkering tot een bepaald percentage van het ongemaximeerde dagloon van de medewerker. Dit percentage is:

  • 80% gedurende de eerste 15 maanden;
  • 70% gedurende de resterende periode.

Verplichtingen en sancties

Tijdens de uitkering geldt het verplichtingen- en sanctieregime van de WW. Dit betekent dat de oud- medewerker ingeschreven moet zijn bij UWV WERKbedrijf. Ook moet hij voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, is of blijft. Onder meer de volgende redenen zullen als verwijtbaar worden beschouwd:

  • in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen;
  • nalaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgen;
  • door eigen toedoen geen passende arbeid behouden;
  • in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stellen die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

Wanneer op grond van de WW een sanctie wordt toegepast, wijzigt het bedrag van de aanvulling niet. Oftewel: een sanctie wordt niet gecompenseerd met een hogere aanvullende uitkering.

Bijzonderheid bij ontslag op grond van reorganisatie

Wanneer een medewerker op grond van reorganisatie is ontslagen, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en het UWV hem een sanctie oplegt wegens verwijtbare werkloosheid, wordt de aanvullende uitkering wel aangepast. Oftewel: de betreffende oud-medewerker krijgt een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag wanneer geen sanctie was opgelegd.

Beëindiging van het recht op uitkering

De aanvullende uitkering eindigt als de WW-uitkering eindigt. Dit is onder meer, als:

  • de medewerker geen werknemer meer is in de zin van de WW (hij gaat bijvoorbeeld als zelfstandige werken);
  • de medewerker niet langer werkloos is in de zin van de WW (dat is als hij voor minder dan 5 uur werkloos is);
  • de uitkeringsduur is verstreken.

De duur van de aanvulling

Voor mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt op of na 1 augustus 2004 wordt de aanvulling gegeven zolang er recht is op een loongerelateerde WW-uitkering. Voor mensen van wie de eerste werkloosheidsdag valt voor 1 augustus 2004 geldt een overgangsregeling.

Herleving en verlenging

Wanneer een aanvullende uitkering na gehele beëindiging herleeft, eindigt de herleefde uitkering zoveel later als de periode van beëindiging heeft geduurd. Kort gezegd, gehele beëindiging heeft opschortende werking: gehele beëindiging verschuift de einddatum van de aanvullende uitkering. Uitzondering hierop is de eerste periode van 15 maanden, waarin de aanvulling tot 80% plaatsvindt. Deze periode wordt niet opgeschort.

Voorbeeld
Ellie heeft haar baan verloren en krijgt een WW-recht over de periode van 1 mei 2001 tot 1 mei 2003. Over deze periode heeft Ellie ook recht op een aanvullende uitkering. Over de periode van 1 mei 2001 tot 1 augustus 2002 (15 maanden later) heeft zij recht op een aanvulling tot 80% van het ongemaximeerde dagloon. Tot 1 mei 2003 heeft zij recht op een aanvulling tot 70% van het ongemaximeerde dagloon.

Op 1 januari 2002 vindt Ellie weer een andere (tijdelijke) baan. Deze baan duurt 4 maanden en eindigt op 1 mei 2002. Op 1 mei 2002 herleeft het recht op de aanvullende uitkering (de baan heeft maar 4 maanden geduurd en er ontstaat dus geen nieuw recht op een loongerelateerde uitkering). Tot 1 augustus 2002 heeft Ellie nog recht op een aanvulling tot 80% (de eerste periode van 15 maanden wordt niet met 4 maanden opgeschoven). De einddatum van de aanvullende uitkering schuift wel met 4 maanden op. Het recht op een aanvullende uitkering bestaat dus tot 1 september 2003.

Verrekening van inkomsten

De oud- medewerker die tijdens de periode van de aanvullende uitkering gaat werken en daaruit inkomsten geniet wordt voor minder uren werkloos. De aanvullende uitkering eindigt met dát deel dat behoort bij het aantal uren, waarvoor werk aanvaard is.

Aanvulling op ziekengeld of uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg

Wanneer een oud- medewerker tijdens de periode van de aanvullende uitkering recht krijgt op een Ziektewetuitkering wordt deze uitkering aangevuld tot 80%, respectievelijk 70% van het ongemaximeerde dagloon. Wanneer een oud- medewerker tijdens de periode van de aanvullende uitkering recht krijgt op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof, wordt deze uitkering aangevuld tot 100% van het ongemaximeerde dagloon.

Uitkering bij overlijden

Wanneer de oud- medewerker die recht heeft op een aanvullende uitkering overlijdt, ontvangen de nabestaanden een uitkering ter hoogte van 100% van het ongemaximeerde dagloon van betrokkene, berekend over een periode van 13 weken. Een overlijdensuitkering op grond van de Ziektewet of andere wet of regelgeving wordt hierop in mindering gebracht.

Grensarbeiders

Iemand die aansluitend aan zijn werkloosheid buiten Nederland woont en om die reden geen recht heeft op een Nederlandse WW-uitkering, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering, die in hoogte en duur gelijk is aan de uitkering die hij gehad zou hebben als hij wel in Nederland zou wonen. De buitenlandse werkloosheidsuitkering wordt op deze bovenwettelijke uitkering in mindering gebracht.