Derde ziektejaar

Voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn is een derde ziektejaar ingevoerd. Tijdens dit derde jaar kunnen medewerkers alleen onder voorwaarden definitief worden herplaatst of ontslagen.

Algemeen

In tegenstelling tot medewerkers die volledig arbeidsongeschikt zijn en na 24 maanden ontslagen kunnen worden, is voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn een derde ziektejaar ingevoerd.

Het derde ziektejaar geldt voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten die op of na 1 juli 2007 ziek zijn geworden.
Medewerkers die vóór 1 juli 2007 ziek zijn geworden, kunnen na 24 maanden ziekte wel ontslagen of definitief worden herplaatst.
Tijdens dit derde ziektejaar gelden dezelfde rechten en plichten als tijdens de eerste 24 maanden van ziekte.

Gedurende de gehele ziekteperiode wordt voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerker gezocht naar een passende functie binnen of buiten de gemeente.
Zieke medewerkers mogen gedurende de eerste twee jaar van ziekte niet definitief herplaatst of ontslagen worden. Hiervan kan dus pas na 24 maanden ziekte sprake zijn.
Om vanaf die datum iemand definitief te herplaatsen of te ontslaan gelden bijzondere voorwaarden. De mate van arbeidsongeschiktheid bepaalt welke voorwaarde geldt.

Voorwaarden bij arbeidsongeschiktheid minder dan 35%

Tijdens het derde ziektejaar moet de werkgever voor de medewerker die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, zoeken naar een passende functie waarmee hij zijn volledige restverdiencapaciteit kan benutten. Dit kan een nieuwe functie binnen of buiten de gemeente zijn.

Er is sprake van definitieve herplaatsing als de nieuwe functie binnen de gemeente gevonden wordt. Bij een nieuwe functie buiten de gemeente is sprake van volledig ontslag.
Dit ontslag mag plaatsvinden in het derde ziektejaar.

Voorwaarden bij arbeidsongeschiktheid van 35% tot 80%

Tijdens het derde ziektejaar moet de werkgever voor de medewerker die vanaf 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, zoeken naar een passende functie waarmee hij ten minste 50% van de restverdiencapaciteit kan benutten. Dit kan een nieuwe functie binnen of buiten de gemeente zijn.
Er is sprake van definitieve herplaatsing als de nieuwe functie binnen de gemeente gevonden wordt. Bij een nieuwe functie buiten de gemeente is sprake van volledig ontslag.
Dit ontslag mag plaatsvinden in het derde ziektejaar.

Voorbeeld
John Ligthart (36 jaar) werkt sinds 15 juni 2000 als projectmanager bij gemeente F. Sinds 3 juli 2007 werkt hij echter maar gedeeltelijk in verband met psychische klachten.
Vanaf 1 juli 2009 krijgt John een WGA-uitkering; hij is 45% arbeidsongeschikt.Voor John geldt het derde ziektejaar. Hij stuurt een kopie van de WIA-beschikking van het UWV naar zijn werkgever. John en de gemeente gaan op zoek naar een functie voor waarmee John ten minste 50% van zijn restverdiencapaciteit kan benutten. Het is niet gelukt om een nieuwe baan voor John te vinden, die aan de voorwaarden voldoet. Daarom mag hij na afloop van het derde ziektejaar ontslagen worden.

Inkomensbescherming

De voorwaarden voor herplaatsing of ontslag van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerker tijdens het derde ziektejaar zijn bedoeld om de inkomenspositie na herplaatsing of ontslag te verbeteren.
Door te voldoen aan de voorwaarden komen mensen namelijk in aanmerking voor:

  • een bijzondere uitkering ten laste van de gemeente (bij arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%), of
  • een loonaanvulling op grond van de WIA (bij arbeidsongeschiktheid van 35% tot 80%).

Bijzondere uitkering bij arbeidsongeschiktheid minder dan 35%

De medewerker die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wiens nieuwe functie direct aansluitend aan de definitieve herplaatsing of het ontslag voldoet aan de voorwaarde voor definitieve herplaatsing of ontslag in het derde ziektejaar, heeft recht op een bijzondere uitkering. De hoogte van deze bijzondere uitkering is 75% van het verschil tussen het oude en het nieuwe inkomen. Een eventuele uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt hierop in mindering gebracht.

Voorbeeld 1
Mohammed verdiende € 2.000,- per maand. Hij is voor 20% arbeidsongeschikt. Zijn volledige restverdiencapaciteit bedraagt dus 80% van € 2.000,- is € 1.600,-.
Hij wordt herplaatst in een functie waarmee hij € 1.600,- verdient. Zijn bijzondere uitkering bedraagt 75% van € 2.000,- minus € 1.600,- is 75% van € 400,- is € 300,-.
De maximale duur van de bijzondere uitkering is vijf jaar na aanvaarding van de nieuwe functie.

Voorbeeld 2
Sophia Ravelli werkt sinds 1 maart 1997 bij de gemeente R. Door een auto-ongeluk tijdens haar vakantie in september 2007 raakt zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Zij had een fulltime functie als leidinggevende; haar dagloon bedroeg € 180,-. Zij is door haar ongeluk niet meer in staat deze functie uit te oefenen. Ook kan zij niet langer fulltime werkweken maken. In overleg met de arbodienst gaat zij gedurende 4 dagen per week diverse projecttaken verrichten. Het betreft geen vaste, bestaande functie, maar werkzaamheden die speciaal voor Sophia zijn gecreëerd. De gemeente besluit dit werk als ‘passend’ te kwalificeren en voor 4 dagen haar gewone bezoldiging door te betalen. Voor de dag waarop zij niet werkt volgt de gemeente artikel 7:3 lid 2 en 3. Het UWV keurt Sophia in juli 2009. Zij wordt arbeidsongeschikt verklaard voor 20% -dus voor minder dan 35%. Gemeente R. zoekt voor Sophia in haar derde ziektejaar, dat start op 1 september 2009, een nieuwe functie waarmee zij haar volledige restverdiencapaciteit (gesteld op een dagloon van € 144,-) kan vervullen. Ondertussen werkt zij nog steeds aan de projecttaken; haar bezoldiging wordt niet gewijzigd. Binnen de gemeente is deze functie er niet. Maar bij het verzelfstandigde ingenieursbureau is er een vacature voor een projectsecretaris, die voldoet aan de eisen. Sophia begint per 1 december 2009 aan haar nieuwe functie buiten de gemeente. Per deze datum wordt zij ontslagen op grond van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (art. 8:5 CAR). Sophia ontvangt van de gemeente R. nog gedurende 5 jaar een bijzondere uitkering ter grootte van 75% van het verschil tussen haar oude bezoldiging (dagloon € 180,-) en het nieuwe inkomen (dagloon € 144.-) = € 27 (180-144 x 0.75) x 21,75 dagen = € 587,25 per maand.

Inkomenspositie bij arbeidsongeschiktheid vanaf 35% tot 80%

De medewerker die:

  • 35% of meer maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is;
  • definitief herplaatst of ontslagen is;
  • en een functie aanvaardt waarmee ten minste 50% van de restverdiencapaciteit is ingevuld;
    ontvangt allereerst de loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Daarna ontstaat recht op een loonaanvulling op grond van de WGA. De hoogte van deze loonaanvulling is 70% van het verschil tussen het oude loon en 100% van de restverdiencapaciteit. Daarnaast bestaat, indien en voor zolang de medewerker ABP-deelnemer is, recht op een uitkering op grond van het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen.

Bij invulling van minder dan 50% van de restverdiencapaciteit volgt na de loongerelateerde uitkering een vervolguitkering, die in een veel lager inkomen voorziet.

Definities

Restverdiencapaciteit:

Dit is het inkomen dat iemand met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen. 

Meer informatie