Geen bezoldiging bij ziekte

In bepaalde gevallen heeft de medewerker geen recht op doorbetaling van de bezoldiging tijdens ziekte. Dit is het geval bij het opzettelijk veroorzaken van de ziekte of als de medewerker bij een medische aanstellingskeuring onjuiste informatie gegeven heeft. De doorbetaalde bezoldiging kan ook worden gestaakt. Dit kan gebeuren als de medewerker zich tijdens ziekte niet zorgvuldig gedraagt.

Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging

  • De medewerker die zijn ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, kan geen aanspraak maken op doorbetaling van de bezoldiging tijdens die ziekte. Of dit het geval is, moet blijken uit een medisch onderzoek, dat door de werkgever kan worden opgedragen. Een uitzondering hierop bestaat als de medewerker hiervan op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt.
  • Er bestaat ook geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging als de medewerker voor indiensttreding medisch gekeurd is en hij bij de keuring informatie verzwegen heeft of onjuiste informatie gegeven heeft, waardoor onterecht een positief medische advies is afgegeven. De ziekte moet dan wel binnen 6 maanden na indiensttreding plaatsvinden. Een uitzondering hierop bestaat als de ambtenaar hiervan op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt.

Staken van de bezoldiging

Als de medewerker, aan wie de bezoldiging tijdens ziekte wordt betaald, zich niet zorgvuldig gedraagt, kan de bezoldiging gestaakt worden. De medewerker gedraagt zich onzorgvuldig als hij:

  • weigert medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek;
  • heeft nagelaten zich onder medische behandeling te stellen;
  • de aanwijzingen van een geneeskundige niet opvolgt, tenzij het om een operatie gaat;
  • zijn genezing belemmert of vertraagt;
  • er de oorzaak van is dat controle niet kan plaatsvinden;
  • zonder positief advies van de arbodienst en toestemming van de werkgever werkzaamheden voor zichzelf of derden verricht;
  • weigert informatie te geven over inkomsten uit arbeid die hij tijdens ziekte in verband met zijn genezing heeft verricht;
  • niet op de met de werkgever en de arbodienst afgesproken datum weer aan het werk gaat, tenzij hij daarvoor redenen heeft, die de arbodienst onderkent;
  • weigert informatie te verstrekken die bij de uitvoering van hoofdstuk 7 CAR nodig is;
  • weigert mee te werken aan voorschriften of maatregelen die bedoeld zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;
  • weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het plan van aanpak;
  • weigert aangeboden passende arbeid te verrichten.

De algemene uitzondering hierop bestaat als de medewerker dit onzorgvuldige gedrag op grond van zijn geestelijke toestand niet verweten kan worden.

Deskundigenoordeel

Bij verschil van mening ten aanzien van de ongeschiktheid tot werken kan bij het UWV om een deskundigenoordeel worden gevraagd. Een deskundigenoordeel kan zowel door de werkgever als door de medewerker worden aangevraagd. Zie deskundigenoordeel voor meer informatie.

Uitbetaling van de bezoldiging aan anderen

De bezoldiging die op grond van de hiervoor genoemde redenen niet aan de medewerker wordt uitbetaald, kan (deels) aan een ander worden uitbetaald.
Dit kan bijvoorbeeld de partner van de medewerker zijn. Als dit niet wordt gedaan en de medewerker wordt in de procedure rond de second opinion in het gelijk gesteld, dan moet de niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de medewerker worden uitbetaald.