Overgangsrecht

Algemeen

Bij de herziening van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling is overgangsrecht overeengekomen voor de medewerker die wegens reorganisatie of ongeschiktheid/onbekwaamheid ontslagen wordt en die:

  • op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008) 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector; en
  • die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend wordt. De ontslagdatum moet vallen voor 1 juli 2018.

Inhoud overgangsrecht

Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de nawettelijke uitkering (artikel 10d:32) overeenkomt met de aansluitende uitkering uit hoofdstuk 10a, zoals dit hoofdstuk tot 1 juli 2008 luidde. Wel is afgesproken dat de berekening hiervan voor gemeenten gemakkelijker wordt gemaakt. Daarom is de oude berekeningsduur van de aansluitende uitkering omgezet in de volgende formule: 0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38 (dit is de maximumduur van de WW).

Het overgangsrecht is omgezet in een formule. In deze formule staat:

  • X voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
  • Y voor indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.

Alles bij elkaar is de duur van de overgangsuitkering voor overgangsgerechtigden gelijk aan:
0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38 (dit is de maximumduur van de WW).

In deze rekenmodule (excell, 26 kB) kunnen werkgevers de factoren X en Y invullen. De duur van de overgangsuitkering verschijnt dan op het scherm. Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder hoofdstuk 10d. Alle medewerkers die op grond van reorganisatie of ongeschiktheid/onbekwaamheid ontslagen worden, krijgen recht op resp. een VWNW-traject of een re-integratiefase. Mocht daarna sprake zijn van werkloosheid, dan geldt voor de medewerkers die onder het overgangsrecht vallen slechts voor de duur van de nawettelijke uitkering, na afloop van de WW-uitkering, een uitzondering. De beëindigingsgronden zijn voor medewerkers die onder het overgangsrecht vallen gelijk. Dit betekent onder meer dat de overgangsuitkering waarop volgens het overgangsrecht recht bestaat, eindigt op eerste van de maand volgend op die waarin de medewerker de Aow-gerechtigde leeftijd bereikt.

  • Voorbeeld
    Hans de Lange is 55 jaar als zijn werkgever hem ontslaat wegens ongeschiktheid. Hij en zijn nieuwe baas kunnen niet meer met elkaar overweg. Ontslag resteert als laatste mogelijkheid.
    Hans werkt sinds 1 juli 1982 bij gemeente I, welke op 1 januari 2004 is opgegaan in gemeente I-landen. Van 1998 tot 1999 was Hans tussentijds een jaar in dienst bij een gemeenschappelijke regeling, die de CAR toepaste. Het ontslagbesluit wordt genomen op 15 juli 2008. Hans heeft recht op de re-integratiefase. Om te bepalen hoe lang de re-integratiefase duurt, moet gekeken worden naar zijn laatste dienstverband bij de gemeente I-landen en de jaren direct daaraan voorafgaand bij de rechtsvoorganger hiervan, de gemeente I. In zijn geval moet dus gerekend worden vanaf 1999. Omdat hij op dat moment minder dan 10 jaar in dienst is, duurt zijn re-integratiefase 7 maanden. De re-integratiefase levert geen nieuwe baan op. Vanaf 15 februari 2009 heeft Hans recht op 37 maanden WW.
    Hans’ bezoldiging bedroeg € 5.320,-. Hij krijgt bovenop de WW een aanvullende uitkering ter grootte van 30% van zijn bezoldiging. Na 12 maanden ontvangt Hans nog 20% van zijn bezoldiging als aanvulling op de WW-uitkering.
    Hans slaagt er niet in om binnen de periode waarin hij recht heeft op WW ander werk te vinden. Na afloop van de WW is Hans nog steeds volledig werkloos. Omdat de gemeente Hans eigenlijk geen gelegenheid heeft gegeven om zijn functioneren te verbeteren, heeft Hans recht op een nawettelijke uitkering.
    Deze is net zo hoog als de WW-uitkering. Hans was op 1 juli 2008 langer dan 20 jaar werkzaam in de gemeentelijke sector – waar gemeenschappelijke regelingen ook onder vallen – en komt daarom in aanmerking voor het overgangsrecht.