Onbetaald verlof

Als een medewerker onbetaald verlof wil opnemen dan dient hij hiervoor een verzoek in bij de gemeente. Het kan hierbij gaan om verlof voor de gehele of een deel van de arbeidsduur. Het verzoek wordt ingewilligd tenzij dienstbelangen zich daartegen verzetten. Wanneer het verzoek niet ingewilligd kan worden probeert de werkgever in overleg met de medewerker te komen tot een oplossing die zo veel mogelijk recht doet aan de wensen van de medewerker.

Voorwaarden bij onbetaald verlof

Voor het opnemen van onbetaald verlof geldt een aantal voorwaarden:

  • een medewerker komt pas in aanmerking voor onbetaald verlof als hij minimaal een jaar in dienst is van de gemeente;
  • het onbetaalde verlof duurt minimaal 1 en maximaal 18 maanden (ook bij deeltijdverlof);
  • een medewerker mag jaarlijks maximaal één periode onbetaald verlof opnemen. In een periode van vijf jaar mag het maximaal gaan om in totaal 18 maanden verlof;
  • het verlof wordt ten minste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum aangevraagd;
  • de werkgever beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden nadat het verlofverzoek is ontvangen. De ambtenaar krijgt daarvan schriftelijk bericht;
  • onbetaald verlof kan alleen tussentijds worden beëindigd wanneer zowel de werkgever als de medewerker hiermee instemmen;
  • wanneer tijdens het onbetaald verlof betaalde arbeid wordt verricht, kan de gemeente het verlof intrekken.

Levensloopuitkering

De medewerker kan zijn levenslooptegoed (deels) laten uitkeren om in zijn inkomen te voorzien tijdens een periode van onbetaald verlof. Hoe het tegoed precies moet worden aangevraagd, verschilt per gemeente. In principe is hiervoor een speciaal formulier. Gaat het verlof in, dan maakt de beheerder van het levenslooptegoed het geld over aan de werkgever. Die houdt de loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in en maakt het geld (maandelijks) aan de medewerker over. De medewerker ontvangt zijn levenslooptegoed dus net als zijn salaris van de gemeente. Uiteindelijk bepaalt hij dus zelf de hoogte van zijn uitkering tijdens het onbetaald verlof.
Hiervoor geldt wel een aantal randvoorwaarden. Er is een bovengrens aan hoeveel maandelijks mag worden opgenomen uit het levenslooptegoed. Het bedrag mag niet hoger zijn dan het loon direct voorafgaand aan de verlofperiode.

Voorbeeld
Caroline verdient in juli € 2.000,-. In augustus mag zij niet meer dan € 2.000,- aan levenslooptegoed opnemen voor de financiering van één maand onbetaald verlof. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt Caroline tijdens het verlof al € 1.000.- van de werkgever, dan mag zij nog maar € 1.000.- van zijn levenslooptegoed opnemen.
Let op!
Alleen de medewerkers die op 31 december 2011 een bedrag van € 3000,- of meer hebben gespaard kunnen blijven deelnemen aan de levensloopregeling. Vanaf 1 januari 2012 kunnen medewerkers dus niet meer meedoen aan levensloopregeling als nieuwe deelnemer.

Onbetaald verlof voorafgaand aan pensionering

Als een medewerker zijn levenslooptegoed wil gebruiken om eerder te stoppen met werken dient hij een aanvraag in bij de gemeente voor onbetaald verlof. In tegenstelling tot het reguliere onbetaalde verlof dat voor een maximale periode van 18 maanden kan worden opgenomen, geldt bij verlof voorafgaand aan pensionering een maximum van drie jaar. Het verlof kan ook gedurende een periode van drie jaar in deeltijd worden opgenomen. De werkgever kan het onbetaalde verlof voorafgaand aan pensionering alleen weigeren als er zwaarwegende dienstbelangen aan de orde zijn.

Samenloop met ziekte en zwangerschap

Als de medewerker tijdens het gedeeltelijk verlof ziek wordt, eindigt het verlof na twee weken. Bij volledig verlof is het uitgangspunt dat het verlof niet stopt bij ziekte. In schrijnende gevallen kan de werkgever als de ziekte langer duurt dan twee weken toch besluiten om het verlof te beëindigen. Dit kan niet bij verlof voorafgaand aan pensionering. Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

Welke rechten gelden niet tijdens het onbetaald verlof?

Een uitkering uit de levensloopregeling is officieel geen salaris. Daarom heeft een medewerker tijdens het onbetaald verlof dat hij financiert uit zijn levenslooptegoed geen recht op tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen als een kinderopvangvergoeding of een telefoon die hij voorheen wél kreeg.
Bij deeltijdverlof heeft de medewerker naar rato recht op zulke vergoedingen. Er wordt over de levensloopuitkering geen IKB opgebouwd. De medewerker bouwt bij volledig onbetaald verlof geen vakantie-uren op. Kiest de medewerker voor deeltijdverlof dan gebeurt de opbouw naar evenredigheid.

Samenloop met ouderschapsverlof

Op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) bestaat er aanspraak op onbetaald ouderschapsverlof voor de duur van ten hoogste 26 weken. Artikel 6:5 van de CAR-UWO regelt dat de ambtenaar, die op grond van de Wazo ouderschapsverlof opneemt, recht heeft op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over het ouderschapsverlof gedurende ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week.
Wanneer de ambtenaar naast de bovengenoemde 13 weken aan betaald ouderschapsverlof ook onbetaald ouderschapsverlof, maximaal 13 weken, wenst op te nemen dan is dit mogelijk. Er zijn een aantal manieren waarop het betaald en/of onbetaald ouderschapsverlof kan worden opgenomen.

Meer informatie