Pensioenopbouw en demotie

De werkgever kan een medewerker binnen 10 jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd in het kader van seniorenbeleid een andere functie aanbieden waaraan een lagere salarisschaal is gebonden. Dit kan alleen met instemming van de medewerker. De teruggang in salaris heeft geen gevolgen voor de pensioenopbouw van de medewerker.

Pensioenopbouw

Deze regeling is in het leven geroepen toen het ABP nog een eindloonsysteem kende. In het eindloonstelsel van het ABP had een teruggang in salaris negatieve effecten voor de pensioenopbouw. Het pensioen werd namelijk gebaseerd op het laatstverdiende loon.
In het ABP-reglement is de mogelijkheid geschapen om bij teruggang in salaris vanaf 10 jaar voor AOW-leeftijd in het kader van seniorenbeleid, de pensioengrondslag te baseren op het oude salarisniveau. Hierdoor heeft demotie in het kader van seniorenbeleid geen negatieve gevolgen voor de pensioenopbouw.
In de huidige middelloonregeling is de noodzaak van deze bepaling minder aanwezig, omdat demotie met teruggang in salaris geen gevolgen heeft voor het reeds opgebouwde pensioen.

Functie bij andere gemeente

Wanneer een medewerker binnen 10 jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd bij een andere gemeente een functie betrekt met een lagere salarisschaal en hierdoor teruggaat in salaris, kan de grondslag voor het pensioen alleen ongewijzigd blijven wanneer de functiewisseling voortkomt uit het seniorenbeleid van de oude werkgever.

Deeltijd

Een medewerker accepteert in het kader van het seniorenbeleid een functie met een lagere salarisschaal en gaat tegelijkertijd in deeltijd werken. De pensioenopbouw wordt dan gebaseerd op het oude salaris naar rato. Een medewerker gaat in deeltijd werken zonder dat hij een andere functie gaat vervullen. De pensioengrondslag blijft dan hetzelfde omdat voor de medewerker geen lagere functieschaal gaat gelden, de pensioenopbouw vindt plaats naar rato.

Meer informatie