Foutmelding

Table of contents error: minlevel (3) is larger than maxlevel (2), reverting to defaults.

Verhaalbaarheid van verkeersboetes

De afgelopen jaren zijn er meerdere rechterlijke uitspraken geweest in zowel de publieke als de private sector over de verhaalbaarheid van verkeersboetes wegens snelheidsovertredingen. In beide sectoren heeft de hoogste rechter, respectievelijk de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep, inmiddels geoordeeld over deze kwestie. Voor een volledig beeld van de ontwikkeling in de rechtspraak, staan hieronder de relevante uitspraken in de beide sectoren op een rij.

Gerechtshof Den Haag - 12 mei 2006

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde voor de private sector in 2006 dat een werkgever op grond van artikel 7:661 van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen die schade kan verhalen die een werknemer bij de uitoefening van zijn werk heeft veroorzaakt, indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid [1]. Bij een overschrijding van de maximum snelheid tot 10 kilometer per uur zal volgens het Hof in zijn algemeenheid geen sprake zijn van opzet of bewuste roekeloosheid en komt de administratieve sanctie niet voor rekening van de werknemer. 
(LJN: AX1690)

Rechtbank Leeuwarden  –  18 januari 2008

Het betrof in deze uitspraak een rijksambtenaar die in de uitoefening van zijn werkzaamheden als chauffeur voor de Dienst Vervoer & Ondersteuning van het Ministerie van Justitie een verkeersovertreding had begaan; hij had 5 kilometer te hard gereden. De boete daarvoor weigerde hij te vergoeden aan zijn werkgever. De ambtenaar beriep zich daartoe onder meer op bovengenoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De Rechtbank oordeelde echter dat de uitspraak van het Hof niet analoog van toepassing is op ambtenaren.
Ambtenaren hebben namelijk een voorbeeldfunctie: hierbij hoort volgens de Rechtbank ook voorbeeldig rijgedrag.
De werkgever kon zich volgens de Rechtbank dan ook op het standpunt stellen dat de ambtenaar verwijtbaar had gehandeld door de maximum snelheid tijdens diensttijd te overtreden.
De reden was dat van een chauffeur in een voertuig van het Ministerie van Justitie verwacht mag worden dat hij weet dat hij een voorbeeldfunctie heeft voor de medeweggebruikers.
Terecht had de werkgever daarbij gesteld dat een dergelijke gedraging een ambtenaar sneller kan worden aangerekend dan een werknemer die een privaatrechtelijke arbeidsverhouding heeft. In het burgerlijk recht is de werknemer ingevolge artikel 7:661 BW niet aansprakelijk jegens zijn werkgever, tenzij toegebrachte schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.
 In het kader van artikel 66 ARAR is de ambtenaar echter aansprakelijk indien sprake is van een verwijtbare gedraging. De door eiser aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 mei 2006 was, mede gelet op het verschil in inhoud van onderscheidenlijk artikel 66 ARAR en artikel 7:661 BW, niet analoog van toepassing.
De werkgever had volgens de Rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat de ambtenaar verwijtbaar had gehandeld door de maximum snelheid tijdens diensttijd te overtreden.
(LJN: BC2238)

Hoge Raad – 13 juni 2008

Tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag was cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, de hoogste rechter in privaatrechtelijke geschillen.
De Hoge Raad stelde dat boetes voor verkeersovertredingen die begaan zijn met een motorvoertuig op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersboetes (WAHV) kunnen worden opgelegd aan de kentekenhouder als de identiteit van de bestuurder niet meteen is vast te stellen. Indien het kenteken op naam van de werkgever staat, krijgt deze de boete en dient die te betalen.
De vraag is dan of de werkgever het bedrag vervolgens op de werknemer mag verhalen.
De Hoge Raad beantwoordde die vraag anders dan het Gerechtshof Den Haag in 2006 deed. De hoogste rechter oordeelde dat met de introductie van de bepalingen uit de WAHV nooit is beoogd om de kentekenhouder (werkgever) te treffen met een boete zonder de mogelijkheid om die boete weer te verhalen op de werkelijke bestuurder (werknemer).
Het gaat hierbij volgens de Hoge Raad om een categorie van gevallen (betaling voor een overtreding die de werknemer heeft begaan) waarvoor een uitzondering op de hoofdregel – in beginsel dient de werkgever de schade te vergoeden, tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid – moet worden gemaakt. Van die hoofdregel kan namelijk worden afgeweken indien uit de omstandigheden van het geval, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeit (zie de tweede volzin van artikel 7:661, eerste lid, BW). Ook zei de Hoge Raad dat er een niet te verklaren onderscheid (rechtsongelijkheid) zou ontstaan tussen werknemers met een auto van de zaak en werknemers met een eigen auto. Werknemers met een auto van de zaak zijn niet direct te ‘herkennen’ als bestuurder.
De boete gaat in zo’n geval dus naar de kentekenhouder, werkgever. Werknemers met een eigen auto krijgen daarentegen wel direct zelf de boete en moeten deze zelf betalen, ook al wordt op dat moment zakelijk gereden. De Hoge Raad concludeerde dat werknemers zelf verantwoordelijk zijn voor snelheidsovertredingen die zij begaan in de uitvoering van hun werkzaamheden en dat het werkgevers vrij staat de aan hen opgelegde boetes in dat verband op hun werknemers te verhalen.
De Hoge Raad kwam derhalve  – met andere argumenten dan de Rechtbank Leeuwarden  – eveneens tot de conclusie dat alle boetes voor snelheidsovertredingen ten laste van de werknemers komen.
(LJN: BC8791)

Centrale Raad van Beroep

11 december 2008 De hoogste rechter in de publieke sector oordeelde in een zaak waarin een politieambtenaar met zijn dienstauto de geldende maximumsnelheid had overschreden.
Op grond van artikel 68 van het Besluit arbeidsvoorwaarden politie (Barp) had de korpsbeheerder de daarvoor opgelegde boete op de politieambtenaar verhaald.
In artikel 68 Barp is geregeld dat het bevoegd gezag de ambtenaar kan verplichten de door de dienst gelden schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijke te vergoeden. De korpsbeheerder stelde zich daarbij op het standpunt dat van verwijtbaarheid bij de politieambtenaar sprake was.
De Raad was het met de korpsbeheerder eens en concludeerde dat als uitgangspunt dient te gelden dat een opgelegde boete voor een door een politieambtenaar begane verkeersovertreding op grond van artikel 68 van het Barp op de ambtenaar kan worden verhaald, tenzij de ambtenaar geen verwijt kan worden gemaakt.
(LJN: BG8429)

Conclusie

Onder meer uit laatstgenoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat de gemeente in beginsel elke verkeersboete kan verhalen op de ambtenaar, tenzij de boete niet te wijten is aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar. De grondslag daarvoor is artikel 15:1:12 CAR-UWO, waarin is geregeld dat een ambtenaar kan worden verplicht tot gehele gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.


[1] Artikel 7:661 BW luidt: De werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.