Verborgen cameratoezicht op het werk

In principe mag geen gebruik worden gemaakt van verborgen camera’s op het werk, tenzij de werkgever daarvoor een gerechtvaardigd belang heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval als er binnen de organisatie veel gestolen wordt en het de werkgever ondanks allerlei inspanningen niet lukt om daar een eind aan te maken. De werkgever mag dan tijdelijk een camera plaatsen, omdat dit voor hem een laatste middel is om de dader op te sporen.

In een uitspraak van de CRvB van 10 juli 2008 (TAR 2008/141) ging het onder meer om de vraag of de geheime cameraobservaties van buschauffeurs tijdens nachtritten al dan niet wederrechtelijk hadden plaatsgevonden. Het volgende deed zich voor:

Naar aanleiding van twee klachten dat de bestuurder van een nachtbus na betaling geen kaartjes had afgegeven, heeft de werkgever de nachtbuschauffeurs gewezen op de binnen de organisatie geldende regels. Nadien ontving de werkgever wederom meerdere vergelijkbare klachten. De werkgever heeft naar aanleiding daarvan in een aantal nachtbussen onopvallende camera’s en digitale opnameapparatuur geplaatst, gericht op de nachtbuschauffeurs waarbij de passagiers zo min mogelijk in beeld kwamen. Uit de beelden bleek dat meerdere nachtbuschauffeurs zich inderdaad schuldig maakten aan het na betaling niet afgeven van de kaartjes. Deze nachtbuschauffeurs zijn vervolgens wegens zeer ernstig plichtsverzuim onvoorwaardelijk strafontslag verleend.
 De nachtbuschauffeurs bestreden dit besluit en de zaak belandde uiteindelijk bij de CRvB, waar zij stelden dat het gebruik van verborgen camera’s een schending opleverde van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

De beoordeling van de CRvB
De Raad overwoog dat de mogelijkheid tot onder meer camera-inzet als hier aan de orde is genormeerd in de Wbp. De Wbp stelt in artikel 6 de voorwaarde dat persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze worden verwerkt. Artikel 7 van de Wbp stelt als voorwaarde dat de persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld. De in de Wbp aanvaarde doeleinden zijn nader en limitatief omschreven in artikel 8 van de Wbp.
In artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp is bepaald dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer prevaleert. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 8 van de Wbp behelst dit artikel bovendien dat bij elke verwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Op grond van het subsidiariteitsbeginsel mag het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kunnen worden verwerkt.

De Raad overwoog dat de werkgever op grond van de verschillende klachten het vermoeden mocht hebben dat meerdere nachtbuschauffeurs zich aan onrechtmatig dan wel strafbaar handelen schuldig maakten. Om die reden kon de Raad het goedkeuren dat niet eerst een onderzoek was ingesteld naar de identiteit van de nachtbuschauffeurs op wie de klachten betrekking hadden. Ander minder ingrijpend onderzoek zou niet tot eenzelfde resultaat hebben geleid.
Voorts achtte de Raad van belang dat het cameratoezicht slechts gedurende een korte periode was ingezet en dat het in die periode niet in alle bussen gedurende alle nachten was ingezet, maar slechts op vier (van de negen) bussen gedurende twee nachten per week. Verder was van belang dat de camera’s zodanig waren ingesteld dat uitsluitend de positie van de betreffende nachtbuschauffeur achter het stuur werd geobserveerd, waarbij passagiers zo min mogelijk in beeld kwamen, en dat het ging om cameratoezicht in een openbare ruimte, waarin de nachtbuschauffeurs op grond van dat feit al beperkingen in hun privacy ervaarden.

Concluderend stelde de Raad dat was voldaan aan artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp, dat cameratoezicht mogelijk maakt indien het noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van, in dit geval, de werkgever. Van een prevalerend belang of recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken nachtbuschauffeurs was geen sprake.
Voorts voldeed de gekozen onderzoeksmethode en de wijze waarop dit is uitgevoerd aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Wat betreft de eis gesteld in artikel 6 van de Wbp – persoonsgegevens moeten in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze worden verwerkt - overwoog de Raad dat uitgangspunt van de Wbp is dat het verwerken van persoonsgegevens slechts zorgvuldig is als de betrokkene daarvan op de hoogte is. Dit beginsel is neergelegd in de artikelen 33 en 34 van de Wbp.
Het houdt in dat de betrokkene vooraf wordt ingelicht dat er persoonsgegevens worden vastgelegd, door wie dat gebeurt en met welk doel.
Artikel 43 van de Wbp geeft aan in welke situaties onder meer de artikelen 33 en 34 van de Wbp buiten toepassing kunnen worden gelaten.
Ingevolge artikel 43, aanhef en onder b van de Wbp kunnen de artikelen 33 en 34 van de Wbp buiten toepassing worden gelaten voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. De Raad was van oordeel dat voor het opsporen van de door de nachtbuschauffeurs vermoedelijk begane strafbare feiten geheim cameratoezicht noodzakelijk was. De werkgever wilde niet slechts het vermoedelijk frauduleuze gedrag van een aantal van zijn buschauffeurs stoppen, maar wilde ook achterhalen welke nachtbuschauffeurs zich schuldig maakten aan dat frauduleuze gedrag. Het vooraf kenbaar maken aan de betrokken nachtbuschauffeurs dat gedurende een bepaalde periode in de nachtbussen cameratoezicht plaatsvindt, had wellicht hun gedrag beïnvloed in die zin dat zij zich gedurende die periode conform de regels zouden zijn gaan gedragen, maar gaf geen enkele garantie dat zij na zo’n periode niet in hun oude gedrag zouden terugvallen.

Wat betreft het beroep van de nachtbuschauffeurs op artikel 8 EVRM overwoog de Raad dat de werkgever met de inbreuk op de privacy van de nachtbuschauffeurs was gebleven binnen de grenzen van de Wbp en de toetsing van de toelaatbaarheid van die inbreuk op grond van artikel 8 van het EVRM inhoudelijk niet wezenlijk verschilt van de toetsing aan de Wbp.
Derhalve was naar het oordeel van de Raad evenmin sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM.

Tot slot was de Raad ingegaan op de vraag of, ondanks het feit dat geheim cameratoezicht in dit geval geoorloofd was op grond van de Wbp, de werkgever zich schuldig had gemaakt aan overtreding van artikel 441b Sr. Dit artikel luidt als volgt: ‘Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, van een persoon, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats, wederrechtelijk een afbeelding vervaardigt.’
De Raad verwees voorts naar de parlementaire geschiedenis met betrekking tot heimelijk cameratoezicht door werkgevers in relatie tot de begrippen ‘kenbaarheid’ en ‘wederrechtelijkheid’.
De regering acht het doen van een mededeling aan de ondernemingsraad dat in het bedrijf heimelijk cameratoezicht plaatsvindt voldoende om aan de eis van ‘kenbaarheid’ te voldoen, aldus de Raad.
En in situaties waarin cameratoezicht niet kenbaar is gemaakt, is het aan de rechter om te beoordelen of er al dan niet sprake is van wederrechtelijkheid.
Naar het oordeel van de Raad was ook in deze situatie ruimte om te beoordelen of de werkgever wederrechtelijk had gehandeld.
Nu, zoals de Raad hiervoor had overwogen, in dit geval het heimelijk cameratoezicht paste binnen de grenzen van de Wpb, had de werkgever niet wederrechtelijk gehandeld en zich naar het oordeel van de Raad niet schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding als bedoeld in artikel 441b Sr.

De Raad kwam tot de slotconclusie dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig was.

NB: voor meer informatie over cameratoezicht op het werk verwijzen wij naar de site van het College bescherming persoonsgegevens.