Overige ontslaggronden

Bepaalde omstandigheden die een goede vervulling van de functie in de weg staan, kunnen aanleiding geven tot ontslag.

Verlies vereisten

Een medewerker kan eervol worden ontslagen als hij bepaalde vereisten verliest die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn functie. Een voorbeeld hiervan is een verlies van de rijbevoegdheid van een chauffeur. Het ontslag kan ingaan op de eerste dag nadat de reden voor het ontslag aanwezig was. Het gaat hierbij overigens alleen om vereisten die te allen tijde noodzakelijk zijn. Een vereiste die alleen bij aanvang van het dienstverband wordt gesteld, behoort hier niet toe. Een voorbeeld hiervan is een verklaring van goed gedrag.

Verstrekking onjuiste gegevens

Een medewerker kan eervol worden ontslagen als hij willens en wetens onjuiste gegevens heeft verstrekt om een dienstverband bij de gemeente te kunnen krijgen. Voorwaarde hierbij is wel dat de werkgever geen dienstverband met de medewerker zou zijn aangegaan, als hij wel over de juiste gegevens had beschikt. Het ontslag kan ingaan op de eerste dag nadat de reden voor het ontslag aanwezig was.

Graad van zwagerschap onverenigbaar met functie

Een medewerker kan eervol worden ontslagen als hij een duurzame relatie aangaat waardoor er een grote kans bestaat dat de ambtenaar in een belangenconflict verzeild raakt waardoor de belangen van de werkgever kunnen worden geschaad. Het ontslag kan ingaan op de eerste dag nadat de reden voor het ontslag aanwezig was.

Curatele of gijzeling

Een medewerker kan eervol worden ontslagen als hij door de rechter onder curatele of in gijzeling wordt gesteld, waardoor een goede uitoefening van de functie niet meer is gewaarborgd. Iemand wordt gegijzeld op het moment dat hij in verzekerde bewaring wordt gesteld wegens het niet voldoen van zijn schulden. Het ontslag kan ingaan op de eerste dag nadat de reden voor het ontslag aanwezig was.

Gevangenisstraf

Een medewerker kan niet-eervol worden ontslagen als hij door de rechter wegens een misdrijf wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf. Dit kan zowel een voorwaardelijke als een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om een gevangenisstraf wegens een misdrijf en niet wegens overtreding van de wet. Het ontslag kan ingaan op de eerste dag nadat de reden voor het ontslag aanwezig was. In het geval van een voorwaardelijke straf zal de werkgever moeten afwegen of een ontslag noodzakelijk is.
Bij deze afweging moet de werkgever het functioneren van de medewerker en de aard van zijn functie in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever nagaan of een andere functie binnen de instelling tot de mogelijkheden behoort.

Nader vast te stellen grond

Een ambtenaar kan tot slot ook eervol ontslag worden verleend op een andere grond dan genoemd in de rechtspositie. Deze ontslaggrond lijkt het gesloten ontslagsysteem te ondergraven, maar in de praktijk blijkt dat niet het geval. Met terughoudendheid wordt van deze ontslaggrond gebruik gemaakt. Het gaat dan met name om situaties waarin sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, onverenigbaarheid van karakters of wanneer er geen uitzicht meer bestaat op herstel van een vruchtbare samenwerking.
Volgens vaste jurisprudentie is er sprake van onverenigbaarheid van karakters indien de arbeidsverhouding verstoord is en in redelijkheid niet meer kan worden hersteld, terwijl de verstoring zodanig is dat een normale werksituatie niet meer tot de mogelijkheden behoort (zie ook de jurisprudentie op deze website over dit onderwerp). In dit geval is de verstoorde arbeidsverhouding niet zodanig aan de ambtenaar te wijten dat een ontslagtraject op grond van artikel 8:6 CAR of een disciplinair traject gevolgd kan worden.

De werkgever dient de reden voor het ontslag bij besluit nader te omschrijven. Ook dient de werkgever hierbij een passende regeling te treffen. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen welke inhoud een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de omstandigheden rond deze ontslaggrond te divers. Het ligt echter wel in de rede dat de inhoud, voorzover dat redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de rechten en plichten die gelden voor ambtenaren die op grond van artikel 8:3 of 8:6 CAR ontslagen worden.
Ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van werk naar werk het primaire doel behoort te zijn in de ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van faciliteiten (financieel of anderszins) om de re-integratie te stimuleren zal daarom ook een onderdeel moeten uitmaken van de ontslagregeling.