Sparen voor verlof

De wettelijke mogelijkheden voor de levensloopregeling bestond van 1 januari 2006 t/m 31 december 2011. Voor een groep medewerkers die in die periode deelnamen aan de levensloopregeling geldt fiscaal overgangsrecht voor medewerkers met een levensloopsaldo van €3.000 op 31 december 2011. Zij kunnen gebruik blijven maken van de voorwaarden van levensloopregeling zoals die bestond op 31 december 2011.tot en met 31 december 2021.

De levensloopregeling was een fiscaal vriendelijke methode waarmee geld kon worden gespaard voor een periode van (onbetaald) verlof, sabbatical of voor extra pensioen. Sparen gebeurt belastingvrij uit het brutoloon. Over wat de medewerker inlegt is geen loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen) en de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage verschuldigd. Deze worden pas ingehouden bij de opname van het tegoed. De uitleg over de levensloopregeling is alleen van toepassing op medewerkers die onder het overgangsrecht vallen.

De medewerker die deelneemt aan de levensloopregeling en heeft de keuze om te sparen op een bankrekening, of om met het geld premie te betalen voor een levensloopverzekering. Met allebei kan hij in zijn inkomen voorzien tijdens een periode van verlof. Elke vorm van verlof komt hiervoor in aanmerking. Of het nu gaat om volledig of om deeltijdverlof, om onbetaald of gedeeltelijk betaald verlof. Als voorwaarde geldt dat een medewerker alleen over zijn levenslooptegoed kan beschikken voor eigen verlof, dus niet om bijvoorbeeld verlof van de partner mogelijk te maken. Het tegoed is vrij besteedbaar Tijdens een periode van verlof keert de werkgever op verzoek van de medewerker (maandelijks) het levenslooptegoed uit voor het bestedingsdoel van de medewerker.

Hoeveel mag een medewerker sparen?

Wettelijk mag er met de levensloopregeling niet meer worden gespaard dan 210% van het in het voorafgaande kalenderjaar genoten bruto jaarloon. Op 1 januari wordt steeds gepeild of een medewerker al aan die bovengrens zit. Zodra blijkt dat een medewerker op 1 januari het maximum van 210% van het bruto jaarloon heeft bereikt, kan de medewerker geen stortingen meer doen in de levensloopregeling.
Wel mag de waarde van het levenslooptegoed of de levensloopverzekering nog doorgroeien door rente of beleggingsrendement. Als het levenslooptegoed deels of geheel is gebruikt, mag dit weer worden aangevuld tot 210% van het bruto jaarloon.

Naast de totale inleg is ook de jaarlijkse inleg begrensd. Als een medewerker op 1 januari nog niet boven de 210%- grens uitkomt, mag hij maximaal 12% sparen van het bruto jaarloon.

Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever er op te letten dat een medewerker niet meer inlegt dan wettelijk is toegestaan. De werkgever heeft een herstelmogelijkheid. De instelling die het tegoed van de medewerker beheert, maakt in dat geval het te veel gespaarde bedrag over aan de gemeente.
Na inhouding van de verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage ontvangt de medewerker dit bedrag weer terug. Herstel kan alleen binnen hetzelfde kalenderjaar.

Meer sparen

Wanneer een medewerker op 31 december 2005 51 jaar of ouder maar nog geen 56 jaar was, kan hij meer sparen dan 12% per jaar. Het tegoed mag echter de 210% -grens van het bruto jaarsalaris in het betreffende kalenderjaar, inclusief rente en beleggingsrendement niet passeren.
Daarnaast kan een medewerker in bepaalde gevallen van inkomensachteruitgang sparen op basis van zijn eerdere inkomen. Dit is mogelijk wanneer de teruggang in inkomen komt door het vrijwillig teruggaan naar een lager gekwalificeerde functie of door te gaan werken in deeltijd (minimaal 50% van de oorspronkelijke aanstelling) in de periode 10 jaar direct voor de AOW-gerechtigde leeftijd.

Spaarbronnen

Sparen voor levensloop kan alleen vanuit het brutoloon van de medewerker en geldt alleen voor de medewerkers die kwalificeren onder het overgangsrecht voor de levensloopregeling. Inleg vanuit de eigen middelen van de medewerker is niet mogelijk.
Er zijn verschillende bronnen die een medewerker in kan zetten voor de levensloopregeling, een combinatie van onderstaande bronnen is ook mogelijk:

  • het salaris;
  • het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel van het IKB;
  • de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren, bedoeld in artikel 3:36;
  • het opgebouwde verloftegoed, bedoeld in artikel 4:9 lid 3.

De medewerker kan één keer per jaar op een door de werkgever vastgesteld tijdstip de hoogte van zijn inleg aanpassen. Beëindigen van de stortingen in de levensloopregeling mag ook tussentijds plaatsvinden.

Levensloopbijdrage

De levensloopbijdrage is vanaf 1 januari 2017 integraal opgenomen in het Individueel Keuzebudget. Maandelijks wordt1,5% over het geldende maandsalaris in het Individueel Keuzebudget opgebouwd.

De levensloopbijdrage in het Individueel Keuzebudget geldt voor elke medewerker die geboren is na 1949. De medewerker die is geboren voor 1950 heeft in beginsel geen recht op de levensloopbijdrage. Deze medewerkers hebben in de regel aanspraak op het overgangsrecht voor de FPU-regeling.
Als dit overgangsrecht niet geldt, ontvangen ook de medewerkers die zijn geboren voor 1950 de levensloopbijdrage. Medewerkers die in 2005 55 zijn geworden en die in deeltijd met FPU zijn gegaan hebben geen recht op de levensloopbijdrage.

Een medewerker die deelneemt aan de levensloopregeling kan het Individueel Keuzebudget alleen besteden aan de levensloopregeling, indien in de lokale CAR-UWO de levensloopregeling als bestedingsdoel heeft aangewezen.

Medewerkers die niet aan de levensloopregeling deelnemen kunnen er ook voor kiezen het Individueel Keuzebudget aan andere aangewezen bestedingsdoelen binnen het Individueel Keuzebudget te besteden, zoals het kopen van verlofuren en (maandelijkse) uitbetaling in geld.
In geval van de medewerker in het Individueel Keuzebudget kiest voor uitbetaling, wordt na inhouding van pensioenpremie, loonheffing, werknemerspremies en inkomensafhankelijke zorgbijdrage het bedrag aan de medewerker uitbetaald.

Als een medewerker wel deelneemt aan de levensloopregeling, kan de medewerker er uiteraard ook voor kiezen om het Individueel Keuzebudget aan een ander doel dan de levensloopregeling te besteden. In dat geval gebruikt hij andere spaarbronnen voor de levensloopregeling.

Procedure deelname levensloop

Als een medewerker wil deelnemen aan de levensloopregeling en niet kwalificeert voor het overgangsrecht, dan is deelname aan de levensloopregeling niet meer mogelijk.

Medewerkers die deelnamen aan de levensloopregeling en kwalificeren voor het fiscale overgangsrecht, kunnen deelname van de levensloopregeling schriftelijk bij indiensttreding via een (standaard)formulier melden bij de werkgever.
Hierop geeft hij aan:

  • bij welke financiële instelling hij het levenslooptegoed spaart;
  • het (maand)bedrag dat hij spaart en de bronnen die hij hiervoor inzet;
  • of hij al een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige;
  • de omvang van het levenslooptegoed dat hij al heeft opgebouwd;
  • dat hij onder het overgangsrecht valt (nieuwe medewerkers kunnen onder het overgangsrecht vallen en daardoor bij de gemeente recht hebben op deelname).

Beëindiging deelname

Als een medewerker niet langer wil deelnemen aan de levensloopregeling, kan hij op elk gewenst moment stoppen. De medewerker stelt in dat geval de werkgever schriftelijk op de hoogte dat hij stopt met sparen voor de levensloopregeling. De werkgever beëindigt de regeling zo snel mogelijk, uiterlijk de tweede maand na ontvangst van het opzegformulier.
Daarnaast stopt deelname aan de levensloopregeling automatisch:

  • bij ontslag;
  • bij overlijden;
  • de dag voordat de medewerker met ouderdomspensioen gaat.

Veranderen van werkgever

Als een medewerker van werkgever verandert, zijn er drie mogelijkheden. Hij kan:

  • het levenslooptegoed laten staan en bij de nieuwe werkgever verder sparen;
  • bij ontslag het tegoed (gedeeltelijk) over laten boeken naar een andere bank of verzekeringsmaatschappij;
  • er voor kiezen het tegoed (gedeeltelijk) als belast loon te laten uitbetalen. Dit heet afkoop, waarbij 80% van de waarde van het tegoed per 31 december 2013 wordt belast.
    Het meerdere, de waarde aangroei na 31 december 2013 zal regulier worden belast als loon uit tegenwoordige dienstbetrekkingKoopt een medewerker het levenslooptegoed af, dan vervalt zijn recht op de levensloopverlofkorting.

NB:
Een medewerker die eenmaal onder het overgangsrecht valt blijft altijd onder het overgangsrecht vallen en kan dus bij een nieuwe werkgever gebruik maken van de levensloopregeling.

Meer informatie