Tussentijds ontslag van een aanstelling bij wijze van proef – rechterlijke toetsing


De Centrale Raad van Beroep heeft zich op 19 januari 2012 (TAR 2012/94) duidelijk uitgesproken over een tussentijds ontslag van een aanstelling bij wijze van proef en de toetsingsmaatstaf die de rechter daarbij dient te hanteren. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 januari 2010 (LJN: BL2821 en TAR 2010/64) overwoog de Raad dat uit het samenstel van artikel 8:12 en 8:12:1 CAR-UWO voortvloeit dat het college bij een tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling moet kiezen uit één van de gronden genoemd in hoofdstuk acht CAR-UWO.

Het college heeft in onderhavige zaak gekozen om de medewerker tussentijds te ontslaan uit de tijdelijke aanstelling van een jaar bij wijze van proef wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit ongeschiktheidsontslag moet worden beoordeeld in het licht van de proeftijdsituatie. Dat betekent dat voor de beoordeling niet de (zware) toetsingsmaatstaf dient te worden aangelegd die de Raad gebruikelijk hanteert bij een ongeschiktheidsontslag uit een vast dienstverband. Het betekent anderzijds ook niet dat kan worden volstaan met de (lichte) toetsing die aan de orde is bij het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband bij wijze van proef, bij het van rechtswege aflopen daarvan, welke toetsing beperkt is tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ambtenaar niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. Onderhavige toetsing zal minder terughoudend moeten zijn. Zij zal zich moeten toespitsen op de beantwoording van de  vraag of de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van de ambtenaar aannemelijk is gemaakt en of de ambtenaar een reële kans heeft gekregen zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd.