Geen schriftelijk aanstellingsbesluit, toch aanstelling

Veelal wordt een aanstelling schriftelijk, in een akte van aanstelling of in een aanstellingsbesluit, vastgelegd. Indien een schriftelijk stuk ontbreekt, dan kan soms uit de feitelijke omstandigheden toch een aanstelling worden aangenomen. In een uitspraak van de CRvB van 3 maart 1994 (TAR 1994/103)heeft de Raad overwogen dat in het geval een schriftelijk stuk ontbreekt, wel duidelijk moet blijken dat het in de bedoeling van het bevoegd gezag heeft gelegen betrokkene als ambtenaar aan te stellen, dan wel van feiten en omstandigheden op grond waarvan betrokkene heeft mogen begrijpen dat een aanstelling tot ambtenaar feitelijk heeft plaatsgevonden. (Zie ook de uitspraken van de CRvB van 30 maart 2000 (TAR 2000/65) en van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 januari 2005 (TAR 2005/43).
Deze uitspraak is niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl.
Hieronder ziet u de gegevens die bij ons over deze uitspraak bekend zijn.LJN: AT2052, Rechtbank 's-Hertogenbosch , AWB 04/1132 AW

In laatstgenoemd voorbeeld ging het om het volgende. Een vrouw zou op 1 april 2003 voor een periode van vijf maanden als student-assistent bij een universiteit gaan werken. Op 31 maart 2003 bezocht zij vanwege fysieke klachten haar huisarts, die haar verwees naar een fysiotherapeut. Op 31 maart 2003 ’s avonds ging zij naar de fysiotherapeut, die haar adviseerde om twee weken rust te nemen, aangezien bij haar sprake was van RSI-klachten. Vervolgens meldde zij zich op 1 april 2003 ziek bij de universiteit.

Op 2 april 2003 kreeg de vrouw het besluit dat haar aanstelling als student-assistent op 1 april 2003 niet van start was gegaan, omdat zij vanwege RSI-klachten niet in staat was met haar werkzaamheden te beginnen. Tegen dit besluit maakte de vrouw bezwaar. Volgens de universiteit was de vrouw geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet, omdat zij niet was aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Een formeel aanstellingsbesluit ontbrak immers.
Echter, in dit geval waren er voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat het in de bedoeling van de universiteit had gelegen om de vrouw als ambtenaar aan te stellen en was er tevens sprake van feiten en omstandigheden op grond waarvan de vrouw had mogen begrijpen dat een aanstelling als ambtenaar had plaatsgevonden.

Uit een aanvraagformulier ‘aanvraag student-assistent’ van 26 maart 2003, dat door de budgethouder en de onderwijsadministratie van de universiteit was ondertekend, bleek dat het de bedoeling was dat de vrouw op 1 april 2003 als student-assistent zou worden aangesteld. Met dit formulier was de vrouw naar de afdeling personeelszaken gegaan voor het invullen een loonbelastingverklaring. Bij eerdere aanstellingen van de vrouw tot student-assistent bij dezelfde universiteit was de gang van zaken op dezelfde wijze verlopen. Toen werd het aanstellingsbesluit pas afgegeven meer dan één maand nadat zij met haar werkzaamheden was begonnen. Voorts was de vrouw al op de vrijdag vóór 1 april 2003 door de universiteit naar een congres uitgevaardigd, zodat zij zich vast kon inwerken.
Nota bene was evenmin gebleken dat de vrouw al in de sollicitatiefase RSI-klachten had die haar ongeschikt maakten voor de functie van student-assistent en die zij vóór 1 april 2003 aan de universiteit had moeten melden. Daarom kon niet worden geconcludeerd dat de bedoeling om de vrouw aan te stellen, mede door misleiding aan de kant van de vrouw tot stand was gekomen.