Disciplinaire maatregelen en schorsing in het belang van de dienst

Van plichtsverzuim is sprake als de vrijwilliger een voorschrift overtreedt of als hij nalaat te handelen zoals van hem wordt verwacht.

Wanneer een vrijwilliger zich schuldig maakt aan plichtsverzuim kunnen de volgende disciplinaire straffen worden opgelegd:

  • schriftelijke berisping;
  • inhouding van een deel van de vergoeding;
  • schorsing met of zonder inhouding van de vergoeding;
  • ongevraagd ontslag.

De Algemene wet bestuursrecht geeft richtlijnen over hoe het college moet handelen in geval van plichtsverzuim.

  • Het voornemen voor het opleggen van een straf moet aan de vrijwilliger worden gemeld en hij moet in de gelegenheid worden gesteld zich te verweren. Deze gelegenheid moet worden geboden tussen zes en twaalf dagen nadat het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf bekend is geworden.
  • De vrijwilliger heeft het recht zich te laten bijstaan door een raadsman en op inzage in rapporten of stukken die betrekking hebben op het plichtsverzuim.
  • Het verweer kan zowel schriftelijk als mondeling plaatsvinden. Geschiedt het verweer mondeling, dan wordt van het verweer verslag gelegd dat door de vrijwilliger wordt ondertekend.

De vrijwilliger kan worden geschorst in de volgende gevallen:

  • bij schorsing als disciplinaire straf en bij het voornemen tot ongevraagd ontslag;
  • bij strafrechtelijke vervolging;
  • in het belang van de dienst bijvoorbeeld wanneer sprake is van zodanige spanningen binnen het korps dat dit middel de rust terug kan brengen.

In het schorsingsbesluit zijn de ingangsdatum en duur van de schorsing opgenomen.