Regeling meer dan 20 dienstjaren

Keuzes medewerker in een bezwarende functie met 20 of meer dienstjaren op 1 januari 2006

De hierna genoemde keuzes gelden alleen voor ambtenaren, in een bezwarende functie, die geboren zijn na 1949 met op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer.
De vier keuzes die een ambtenaar kan maken zijn als volgt:

  1. Standaard is dat de ambtenaar volledig buitengewoon verlof krijgt, onder doorbetaling van 80% van de voor hem geldende bezoldiging. Als het diensbelang het toelaat, kan de ambtenaar voor drie andere opties kiezen.
  2. 50% werken tegen 90% van de bezoldiging. Het gaat hier om 50% van de arbeidsduur van de ambtenaar. Voor de ambtenaar die werkzaam is bij een gemeentelijke ambulancedienst kan het zijn dat hij 60% van de formele arbeidsduur moet gaan werken tegen doorbetaling van 95% van de voor hem geldende bezoldiging. Het is aan de werkgever om aan te geven of de vakbekwaamheidseisen waaraan moet worden voldaan, 60% werken noodzakelijk maken.
  3. 100% doorwerken met een bonus van 20% van een jaarsalaris voor ieder jaar dat de ambtenaar doorwerkt.
  4. Ontslag nemen, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris.

De medewerker moet echter wel medisch geschikt zijn om te kunnen kiezen voor optie 2 en 3. Het oordeel van de werkgever hierover kan zowel gebaseerd worden op de mening van de arbo-arts als blijken uit de periodiek arbeidsgeneeskundige monitor. De gemeente kan een verzoek om te kiezen voor optie 2, 3 of 4 afwijzen op grond van het dienstbelang.

De keuzes gelden tot het moment dat de ambtenaar 59 jaar wordt. Afhankelijk van de leeftijd waarop de gemaakte keuzes ingaan, gaat het om periodes van 4, 3, 2 of 1 jaar.

Een keuze kan alleen herzien worden bij arbeidsongeschiktheid. De ambtenaar kan dan als dat medisch gezien wel mogelijk is ‘overstappen’ naar een andere keuze die medisch gezien nog wel mogelijk is.

Keuzemoment

Bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar kan de ambtenaar kiezen uit vier opties, als deze een functie vervulde waarvan op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 55 jaar was gekoppeld. Als aan de functie een hogere FLO-leeftijd gekoppeld was, dan gaat het keuzemoment pas op die leeftijd in. Dus, als aan de functie van een ambtenaar een FLO-leeftijd van 56 jaar was verbonden, dan gelden de keuzes voor hem pas op 56-jarige leeftijd.

Opschuiven keuzemoment

De medewerker kan ervoor kiezen om het keuzemoment telkens met een periode van een jaar op te schuiven. De medewerker moet één jaar voordat hij de leeftijd van 55 jaar bereikt bekend maken dat hij zijn keuzemoment wil opschuiven. De organisatie moet hier namelijk rekening mee kunnen houden. Daarom is gekozen voor een periode van één jaar.

Gevolgen opschuiven keuzemoment

Allereerst is het van belang dat de ambtenaar medisch geschikt moet zijn om langer in zijn functie door te werken. Als dit niet het geval is, dan kan hij zijn keuzemoment ook niet opschuiven. Er is een viertal gevolgen van het opschuiven van het keuzemoment:

  • De vier keuzes die een ambtenaar kan maken gaan later in.
  • Het moment van onbezoldigd volledig verlof schuift op.
  • De ambtenaar bouwt langer ouderdomspensioen op, waardoor dit hoger uitvalt.
  • De ambtenaar kan zijn levensloop later laten ingaan of hij kan ervoor kiezen om per jaar een hogere levensloopuitkering te ontvangen.

Als de medewerker heeft gekozen voor langer doorwerken tegen de gewone bezoldiging dan gaat de datum van onbezoldigd volledig verlof niet in op 59-jarige leeftijd. Die datum gaat dan evenzoveel later in. Als iemand bijvoorbeeld heeft gekozen om in plaats van op 55-jarige leeftijd (deels) te stoppen, door te gaan tot 57-jarige leeftijd, dan gaat hij ook pas op 61-jarige leeftijd met onbezoldigd verlof (in plaats van op 59-jarige leeftijd).

Oude FLO-leeftijd van 59 of 60 jaar

Een medewerker die een functie vervult waaraan een FLO-leeftijd was verbonden van 59 of 60 jaar komt niet aan de keuzes toe. Voor hem valt de leeftijd van het onbezoldigd volledig verlof namelijk gelijk met de oude FLO-leeftijd en dus later dan het keuzemoment. Deze medewerkers werken dus, net als voor 2006, tot aan hun oude FLO-leeftijd door in hun bezwarende functie.

Bijverdienen tijdens periode van onbetaald verlof

Een medewerker kan de periode van onbetaald volledig buitengewoon verlof (dat is in principe de periode vanaf 59 jaar) financieren met het levenslooptegoed dat hij heeft opgebouwd door de werkgeversbijdrage voor levensloop te reserveren. De medewerker mag in deze periode ook elders werkzaam zijn. Hij verdient dan een inkomen naast de uitbetaling van zijn levenslooptegoed.
Het inkomen vermeerderd met de levensloopuitkering mag echter niet meer bedragen dan de oude bezoldiging. Dit is zo vastgelegd in de levensloopwetgeving. Het inkomen uit de nieuwe baan kan dus maximaal tot 100% van de oude bezoldiging worden aangevuld met levenslooptegoed. Heeft een medewerker meer levenslooptegoed en wordt dat niet opgemaakt voordat hij met pensioen gaat dan kan het levenslooptegoed worden omgezet in ouderdomspensioen.

Bijverdienen tijdens periode van volledig buitengewoon verlof

De medewerker mag nevenwerkzaamheden verrichten tijdens volledig buitengewoon verlof. Echter wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan. Dit is terug te vinden in artikel 9b:10.