Rechten en plichten personeel in dienst na 31-12-2005

In deze module worden de rechten en plichten behandeld van medewerkers die op of na 1 januari 2006 in een bezwarende functie is begonnen.
Medewerkers werken samen de werkgever met een loopbaanplan naar een tweede loopbaan (na maximaal twintig jaar).

Een medewerker krijgt een garantietoelage als het salaris voor de tweede loopbaan lager is dan in zijn oude functie. Voor de berekening van de hoogte van de toelage maakt het een verschil of de medewerker bij de gemeente blijft of elders gaat werken.
NB: de garantietoelage vervalt als de medewerker zelf een andere functie kiest die niet past in het loopbaanplan.

Tweede loopbaan buiten de gemeente

Gaat een medewerker voor zijn tweede loopbaan naar een andere organisatie dan wordt de garantietoelage afgekocht.
De medewerker krijgt 175% van het inkomensverschil. Voor de berekening van het oude inkomen worden salaris en toelagen meegeteld.

Voorbeeld 1

oude functie nieuwe functie
salaris: € 30.000 salaris: € 28.000
toelagen: € 8.000 toelagen: € 6.000

De medewerker zakt in inkomen van € 38.000 naar € 34.000. Hij ontvangt een afkoopbedrag van (€ 38.000 - € 34.000) x 175% = € 7.000.

 

Tweede loopbaan binnen de gemeente

Bij herplaatsing binnen de gemeente krijgt de medewerker een toelage als het nieuwe salaris lager is dan het oude. De hoogte van de toelage is het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Als het nieuwe salaris stijgt, wordt de toelage dus lager.

De garantietoelage bestaat uit:

  • het verschil in salaris;
  • het verschil in toelagen.

Maar: er is een maximum aan de garantietoelage. Het nieuwe salaris + de nieuwe toelagen + de garantietoelagen mogen samen niet hoger zijn dan het oude salaris + de oude toelagen.

De garantietoelage (tweede loopbaan binnen de gemeente)

De toelagen in de oude functie worden in een periode van vier jaar afgebouwd:

  • 100% in het eerste jaar;
  • 75% in het tweede jaar;
  • 50% in het derde jaar;
  • 25% in het vierde jaar.

Zowel de garantietoelage als de afbouwtoelage worden afgetopt, als het totaal aan nieuw inkomen + garantietoelage + afbouwtoelage de oude bezoldiging (bevroren bedrag) overstijgt.

Voorbeeld 2

oude functie nieuwe functie
salaris: € 30.000 salaris: € 25.000
toelagen: € 8.000 toelagen: € 10.000

De garantietoelage bedraagt € 5.000 (€ 30.000 - € 25.000). Het nieuwe salaris met toelagen en garantietoelage is echter hoger dan de oude bezoldiging, namelijk € 25.000 + € 10.000 + € 5.000 = € 40.000. De oude bezoldiging was € 38.000 en dus wordt de garantietoelage gekort met € 2.000 (€ 40.000 - € 38.000). De garantietoelage bedraagt daarom € 3.000.

Voorbeeld 3

oude functie nieuwe functie
salaris: € 30.000 salaris: € 32.000
toelagen: € 8.000 toelagen: € 4.000

 

Het nieuwe salaris is hoger dan het oude salaris, dus krijgt de medewerker geen garantietoelage.
Hij krijgt wel een afbouwtoelage, omdat de nieuwe toelagen lager zijn dan de oude toelagen. De afbouwtoelage bedraagt het eerste jaar € 4.000, het tweede jaar € 3.000, het derde jaar € 2.000
en het laatste jaar € 1.000.
Maar omdat het nieuwe salaris, samen met de nieuwe toelagen én de afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar leiden tot een hoger totaalinkomen dan de oude bezoldiging, wordt de afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar afgetopt.
 In het eerste jaar wordt € 2.000 in mindering gebracht en bedraagt de afbouwtoelage dus € 2.000. In het tweede jaar wordt € 1.000 in mindering gebracht en bedraagt de afbouwtoelage dus € 2.000.

Arbeidsongeschiktheid

Als de medewerker arbeidsongeschikt wordt tijdens de periode dat hij in zijn bezwarende functie werkt, gelden de algemene regels bij arbeidsongeschiktheid.
Daarnaast krijgt de medewerker een overbruggingsuitkering. De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren dat de medewerker in de bezwarende functie heeft gewerkt.
Eén overbruggingsjaar wordt in tien jaar opgebouwd. Een medewerker kan maximaal twee jaar een overbruggingsuitkering krijgen. De overbruggingsuitkering is het eerste jaar een aanvulling tot 100% van het salaris en het tweede jaar tot 80%.

Werkgeversbijdrage levensloop

De medewerker krijgt, zolang hij in de bezwarende functie werkt, jaarlijks een levensloopbijdrage van 2,5% van het salaris. Deze hogere levensloopbijdrage krijgt hij maximaal twintig jaar. Daarna ontvangt hij de reguliere levensloopbijdrage. De levensloopbijdrage is tot 1,5% (de reguliere levensloopbijdrage) pensioengevend. Deze werkgeversbijdrage wordt voor maximaal 20 jaar verstrekt zolang de medewerker in een bezwarende oud FLO-functie werkzaam is. Na 20 jaar in een bezwarende oud FLO-functie valt de medewerker terug op de reguliere levensloopbijdrage van 1,5%.
Als de medewerker eerder overstapt naar een niet bezwarende functie binnen de gemeente, eindigt de werkgeversbijdrage van 2,5% eerder. Als de gemeente en de medewerker gezamenlijk besluiten om na 20 jaar de bezwarende functie voort te zetten kan de levensloopbijdrage van 2,5% worden voortgezet.

Meer informatie